Ga naar submenu Ga naar zoekveld

Addy Hendriks (85) overleefde het bombardement op Nijmegen: ‘Ik heb me veertig jaar lang schuldig gevoeld’

EO-special ‘De middag van ‘44’ over de zwartste dag uit de Tweede Wereldoorlog

Het bombardement op Nijmegen op 22 februari 1944 wordt ook wel de zwartste dag uit de Tweede Wereldoorlog in Nederland genoemd. Er kwamen ongeveer 800 mensen om, waaronder 24 kinderen van een kleuterschool. Addy Hendriks (85) is één van de vijf overlevenden die uit een kleuterschool in het centrum van Nijmegen werden gered. Die middag verliest ze haar broertje Jopie.

Deel:

De impact van de aanval op Nijmegen is na tachtig jaar nog enorm. Dat blijkt ook uit de verhalen van de ooggetuigen in de EO-special De middag van ‘44. Eén van hen is de vijfentachtigjarige Addy Hendriks. Zij zat samen met haar broertje Jopie op een kleuterschool in het centrum van Nijmegen. Addy overleefde het bombardement, Jopie niet.

22 februari 1944

Addy neemt ons mee naar het donkerste moment uit haar leven, de bewuste 22 februari 1944. “Het was een prachtige, zonnige winterdag met temperaturen beneden nul”, begint ze haar verhaal. “Ruim honderdvijftig Amerikaanse bommenwerpers waren onderweg naar de Duitse stad Gotha, om daar vliegtuigfabrieken met de grond gelijk te maken en de vijand een grote slag toe te brengen.”

Iets over elven verschijnen vanuit het westen de eerste vliegtuigen. Om kwart over twaalf klinkt het geloei van het luchtalarm over de stad en zoekt iedereen een veilig heenkomen. Als de rust boven Nijmegen is weergekeerd, klinkt kwart over één het sein dat het weer veilig is. “De winkels in het centrum gingen weer open en de trams en de bussen reden weer. Het dagelijks leven kwam weer op gang. We mochten eindelijk gaan eten; het was door alle commotie later dan onze normale lunchtijd”, herinnert Addy zich.

Naderend onheil

Maar in de tussentijd komen de bommenwerpers boven Duitsland in slecht weer terecht. De missie moet worden afgebroken. In plaats daarvan gaan zij op zoek naar een geschikt doel dat wél haalbaar is om hun zware lading te kunnen lossen. Ze vliegen het Nederlands luchtruim in en zien in de verte het station van Nijmegen opdoemen. De twaalf vliegtuigen die aansturen op de stad worden te laat opgemerkt door de luchtbeschermingsdienst, waardoor de inwoners niet op tijd worden gewaarschuwd voor het naderend onheil.

Ik wilde op Jopie wachten, maar het duurde zo lang

“Nietsvermoedend zat ik mijn boterhammetjes te eten”, vertelt Addy. “Ik wilde snel klaar zijn, zodat er nog tijd was om mijn nieuwe kralenketting aan mijn vriendinnetjes te laten zien.” Addy heeft van haar oma een prachtige ketting gekregen. “Hij mocht helaas niet mee in de klas, dus hing hij aan de kapstok. Ik had mijn brood allang op, maar mijn broertje Jopie zat te treuzelen met zijn eten. Ik wilde op hem wachten, maar het duurde zo lang, dat ik alvast met mijn vriendinnen naar de gang ging.”

Geen ontsnappen aan

Totaal onverwachts vallen de eerste bommen op de stad. De gedesoriënteerde piloten verkeren in de veronderstelling dat de Duitsers een harde slag toe te brengen, maar lossen in plaats daarvan 144 grote bommen –van elk 500 pond – en 426 splinterbommen boven de hoofden van de onschuldige burgers van Nijmegen. Er is geen schijn van kans om aan de bommen te ontsnappen. Door het bombardement en de vlammenzee die volgt, komen ruim 800 mensen om het leven. Duizenden mensen raken gewond en honderden gezinnen zijn hun huis kwijt. 

Als ik hem mee naar de gang had genomen, leefde hij misschien nog

“Op het moment dat de eerste bommen vielen, was ik op de gang. Mijn jas en de kralenketting hingen vlak bij de deur. Dat is mijn redding geweest. De kinderen die nog in het lokaal zaten, waaronder mijn broertje Jopie, zijn omgekomen door het bombardement en de vuurzee die daardoor ontstond. Ik heb me jarenlang schuldig gevoeld dat ik zo ongeduldig was en niet bij hem ben gebleven tot zijn boterham op was. Dan had ik hem mee naar de gang genomen en leefde hij misschien nog.”

Bijna-doodervaring

Meteen na de verwoestende bommen ontstaat een allesverslindende vuurzee. Addy ligt onder het puin; meer dood dan levend. Brandweerlieden zijn met man en macht bezig de zware, ijzeren deur open te breken, waarachter Addy en haar vier klasgenootjes liggen. Het is een race tegen de klok, om de razende vuurzee die in het gebouw woedt, voor te zijn. Addy beleeft op dat moment een bijna-doodervaring. “Ik ging door een tunnel en kwam in een prachtige tuin terecht. Het voelde daar zó fijn. Op dat moment klonk er een stem die tegen mij zei: ‘Je moet weer terug; je kunt nog veel betekenen op aarde.’ Mijn broertje mocht wél blijven.”

Dan wordt Addy opgetild door een brandweerman en het gebouw uitgedragen. Ze komt buiten bij kennis en blijft lange tijd gedesoriënteerd voor de school wachten tot haar broertje naar buiten komt. “Het duurde lang voordat ik besefte dat hij nooit meer zou komen.”

Gulzige vlammenzee

Vierentwintig kinderen en acht zusters komen die dag om het leven. Slechts vijf kinderen, waaronder Addy, overleven het bombardement. Door het droge weer en de noodoostenwind grijpt de vlammenzee gulzig om zich heen. Men probeert te blussen maar het lukt niet. De waterleiding is vernietigd. Nijmegen brandt drie dagen lang. De hitte en de stank blijven de overlevenden de rest van hun leven bij.

Toen mijn vader zijn schoentje vond, begreep hij dat Jopie echt was gestorven

“Mijn vader hoopte dat mijn broertje nog leefde. De dag na het bombardement is hij tussen de rokende puinhopen gaan zoeken.” Jopie droeg speciale hoge schoenen. “Toen mijn vader zijn schoentje vond, begreep hij dat Jopie echt was gestorven. Hij heeft het schoentje naar de veilinghallen gebracht, waar de slachtoffers naartoe werden gebracht en hoopte daar het stoffelijk overschot van Jopie te vinden. Triest genoeg is er maar één kistje over van vierentwintig kinderen en heeft hij nooit afscheid kunnen nemen van zijn zoontje.”

Trauma’s

“Ik probeerde de maanden daarna uit alle macht mijn ouders weer blij te maken. Ze waren zo verdrietig.” Een jaar later krijgt Addy een babybroertje. “In die tijd was het normaal om een volgend kind de naam van een overleden broer of zus te geven. Ik had dus weer een Jopie terug en verzorgde hem zo goed ik kon. Ik deed alles wat ik kon om het verdriet van mijn ouders te verzachten. Zelf had ik nog veel angsten en onverwerkte trauma’s. Zodra ik vliegtuigen hoorde, kromp ik van angst in elkaar. Gelukkig kon ik hier wel met mijn ouders over praten, maar desondanks bleef ik rondlopen met schuldgevoelens.”

Addy is er veertig jaar lang van overtuigd dat het haar schuld is dat haar broertje is gestorven. “Pas toen ik veertig was, kreeg ik voor het eerst psychische hulp. Ik droomde al die jaren dat ik mijn broertje in een vuurzee zag staan en ik hem er niet uit kon halen.”

‘Gevormd tot de mens die ik ben’

“Gelukkig had ik, ondanks dit onverwerkte trauma, een heel gelukkig leven. Dit alles heeft mij gevormd tot de mens die ik ben. Ik heb geleerd dat het leven niet vanzelfsprekend is en heb met veel liefde andere mensen kunnen helpen, ondanks de moeilijke start die ik zelf heb gehad. Al tachtig jaar herdenken we deze zwarte bladzijde in de geschiedenis. Zolang ik leef hoop ik dat te blijven doen en dit verhaal te delen. Zodat de toekomstige generatie hiervan leert en een herhaling hopelijk wordt voorkomen.”

De weergave van deze video vereist jouw toestemming voor social media cookies.

Toestemmingen aanpassen

Geschreven door

Rita Maris

--:--